Jeugdwerk- Verhaal kinderen

Verhaal voor de kinderen (om zelf te lezen of voor te lezen.)

Kinderkerstfeest ‘Ikke groot’, zegt Willemien, ‘ikke is in kerk’. Het is waar. Willemien is in de kerk. Met pappa en mamma. De jongens zitten vooraan. Daar zijn nog meer jongens en meisjes. Vandaag wordt het kerstfeest voor de kinderen gevierd. En Willemien mag ook mee. O, wat is ze trots. Ze gaat boven op haar stoel staan. ‘Ikke groot’, roept ze hard. 17 Dat moet iedereen zien en horen. Een paar mensen lachen en zwaaien naar haar. Kijk, daar heb je Lydia. Die staat ook op een stoel. ‘Willemien’, roept Lydia. Ze zwaait zo hard als ze kan. Willemien zwaait terug. Papa zet haar weer op de stoel. ‘Het gaat beginnen’, zegt hij, ‘nu moet je stil zijn Willemien’. Willemien wil nog wat zeggen. Maar dan houdt ze plotseling op. Boven haar hoofd klinkt muziek. ‘Is dat?’, vraagt Willemien. ‘Dat is het orgel’, zegt pappa, ‘mooi he?’ Willemien vindt het prachtig. Ze klapt in haar handen. Dan beginnen alle mensen opeens te zingen. Willemien zingt hard mee. Ze kent het lied niet, maar dat is niet erg. Als het uit is klapt ze nog eens. Ze roept: ‘Hoeraaaa!’ Een paar mensen lachen om haar. ‘Sssst!’ zegt mamma tegen Willemien, ‘we gaan bidden.’ Een mevrouw is de preekstoel opgegaan. Ze vouwt haar handen. Willemien doet haar handjes samen en haar oogjes dicht. Achter haar zit een klein meisje. Die vindt zeker dat het bidden erg lang duurt. Halverwege zegt ze al ‘Amen’. Na het bidden wordt er uit de kinderbijbel gelezen. Door een grote jongen. Hij kan het heel vlug. Dan komen er kinderen die zingen. Ook zijn er blokfluiten en gitaren. Prachtig is het. Soms moeten de mensen in de kerk zingen. Dan speelt het orgel. O, wat is dát mooi!Nu komen er een heleboel kinderen naar voren. Jan Jaap en Gijsbert zijn er ook bij. ‘Jan Jaááááp!’ roept Willemien heel hard. Jan Jaap heeft haar gezien. Gijsbert ook. Ze zwaaien naar hun zusje. Een mevrouw zet alle kinderen keurig op een rij. Gijsbert staat helemaal vooraan in het hoekje. Eerst mogen de kinderen een liedje zingen. Sommigen hebben een muziekinstrument. Gijsbert ook. Hij heeft een trommel. Als de juf hem aanwijst mag hij heel hard meetrommelen. Nou, dat kan Gijsbert goed. Hij slaat met zijn stok bijna door de trommel heen. Eén van de kinderen zegt een gedichtje op. ‘Straks is Jan Jaap aan de beurt,’ weet mamma. Pappa en mamma kijken vol spanning toe. Zal Jan Jaap het goed doen? Ze weten dat hij het versje goed kent. Maar als je daar vooraan staat en al die mensen kijken naar je…. Pappa en mamma zijn eigenlijk ook best een beetje zenuwachtig. Eerst zingen de kinderen nog een paar liedjes. Je hoort de trommel van Gijsbert er bovenuit. Dan wordt het weer stil. Jan Jaap stapt naar de microfoon. Gijsbert heeft de trommel naast zich neergelegd. Dan kan hij beter naar zijn broertje luisteren. Daar staat Jan Jaap. Hij kijkt de kerk in. Ja, daar zitten pappa en mamma. 18 Pappa geeft hem even een knipoogje. Dat betekent; ‘Doe je best.’ En Willemien? Die kijkt helemaal niet naar haar broertje. Ze is van de stoel gewipt. Ze kijkt naar de trommel. Zou ze…. Jan Jaap begint: Er lopen twee mensen ze zijn toch zo moe ze moeten van de keizer naar Bethlehem toe. ’t Zijn Jozef en Maria ze hebben een geheim ze krijgen van de Here een kindje o klein. Ze kloppen aan de huizen maar wat een verdriet er zijn zoveel mensen een plaats is er niet. Alleen nog een stalletje het is er zo klein. maar Jozef en Maria die vinden het fijn. Ze kunnen gaan slapen en toen in de nacht is het kind uit de hemel in een kribje gebracht. Boem, boem, boem, klinkt het opeens. Een klein meisje is naar voren gerend. Het is Willemien. Ze heeft de trommel van Gijsbert gepakt. Ze slaat er heel hard op. Boem, boem, boem! ‘Hoeraaaaa’, roept ze. ‘Mooi hè, Jan Jaap?’ Pappa gaat ook gauw naar voren. Hij heeft een rood hoofd. Hij heeft alleen maar naar Jan Jaap geluisterd. Hij heeft helemaal niet gezien, dat Willemien weggeglipt is. Pappa pakt zijn stoute dochtertje op. ‘Gauw terug naar je plaats!’ De mevrouw lacht vriendelijk. Gelukkig is ze niet boos. Het kinderkerstfeest gaat verder heel goed. De kinderen zingen nog meer liedjes. Aan het eind vertelt een mevrouw nog een mooi verhaal. Wilemien hoort dat niet meer. Ze is op pappa`s schoot in slaap gevallen...
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
 
Kerstverhaal:
Ach neen, een kerstverhaal is dit eigenlijk niet. Het is niet eens een verhaal, het is een verslag, een doodgewoon verslag van iets dat ergens gebeurde. En dan mist het zelfs nog de actualiteit, die doorgaans het kenmerk van een verslag pleegt te zijn. want het is al ongeveer twintig jaren geleden gebeurd. Wie kan dat nog wat schelen? Maar het kerstverhaal, het échte Kerstverhaal, was tenslotte ook niet zo-maar-een verhaal. En ook dát is oud nieuws, van zo’n tweeduizend jaar geleden. Wat doen dus die twintig jaren ertoe? Overigens bestaat er nóg een eigenaardige overeenkomst, al zul je deze misschien een beetje gezocht vinden. Het oude kerstverhaal speelde zich af in een stal. Dat van twintig jaar geleden gebeurde ook in een stal. Nu ja, geen echte stal, maar het leek er wel op. Het was een sombere, oude loods. Daarbinnen heerste vrijwel permanente schemering of duisternis. Maar daarbuiten straalde het licht heel fel en glorieus, zowel overdag als in de avond en in de nacht. Die loods stond namelijk in een tropisch gebied, onder een gloeiende, brandende zon. Maar ook onder een fantastische sterrenhemel. En een maan die veel groter scheen dan men hier ooit in het westen aanschouwt. Er woonden mensen in die loods. ‘Wonen’ is een beetje te sterk uitgedrukt. Ze waren er opgeborgen. Want iets verder, daarbuiten, flitsten de zon of de maan kleine vonkjes uit het prikkeldraad, voor zover dat in de loop der jaren al niet verroest was. Want het duurde nu al jaren; of waren het misschien eeuwen? Je wist dat zo niet meer. Je was te moe en te ziek om daarover na te denken, om de uren te volgen en de dagen. Dat deed je in het begin. Nu was dat al lang voorbij. Je werd meer met de eeuwigheid geconfronteerd dan met de dag of het uur. Want er stierven er zo veel, naast je en tegenover je, door de honger, dysenterie, andere tropische ziekten; of ook alleen maar omdat ze niet meer leven wilden, hun laatste sprankje hoop was uitgedoofd. Wij trachtten het nog een beetje te rekken in dat Japanse concentratiekamp. Waarom, ach dat wist je eigenlijk niet meer. Aan het einde van de oorlog, aan bevrijding kon je al lang niet meer geloven. Je leefde verder uit een soort routine, in een verdoving, afgestompt, en met nog maar één drift, die zo nu en dan als een wild beest naar je keel sprong: eten, eten wat dan ook. Het was er niet, we werden systematisch uitgehongerd. Maar zo nu en dan ving iemand wel eens een slang, of een ander dier, een rat bijvoorbeeld. Vergeet het maar, niemand die het overleefd heeft praat daar nog graag over. Er was één man in het kamp, die nog iets eetbaars bezat. Een kaars. Een gewone waskaars. Natuurlijk had hij die destijds niet meegenomen of bewaard om op te eten. Een normaal mens eet geen kaarsvet, hoewel ze zeggen dat de Kozakken er vroeger gek op waren. In elk geval: het is vet, dat moet je niet onderschatten wanneer je alleen maar uitgeteerde geraamten om je heen ziet, en daarin ook jezelf herkent. Als de marteling van de honger helemaal niet meer was uit te houden nam hij die kaars die hij goed verborgen had in een verfomfaaid koffertje, en kloof eraan. Maar eten deed hij hem niet. Hij beschouwde die kaars als zijn laatste redding. Eénmaal, als iedereen krankzinnig werd van de honger (en dat duurde nu niet lang meer) zou hij die kaars opeten. Ik hoop niet dat u het gek of griezelig vindt. Ik, die zijn kameraad was, vond het heel gewoon in die tijd. Hij had mij trouwens een klein stukje van die kaars beloofd. Het werd mijn levenstaak, mijn voortdurende zorg er op te letten, dat hij de kaars 20 achteraf toch niet helemaal alléén opat. Ik beloerde en bespioneerde hem en zijn koffertje dag en nacht. Misschien bleef ik daardoor ook wel leven, omdat ik zo’n belangrijke taak te vervullen had. Nu, op een keer ontdekten wij dat het kerstmis was. Heel toevallig was iemand daar achter gekomen, na langdurige berekeningen aan de hand van kleine streepjes en inkervingen in een balk. Hij vertelde het aan iedereen. ‘Het volgend jaar met kerstmis zijn we thuis,’ voegde hij eraan toe, nogal vlak en toonloos. Wij knikten, of reageerden helemaal niet. Dat hadden we al een paar jaar gehoord. Toch waren er nog wel een paar die zich daaraan vastklampten. Je weet immers nooit. Dat was heel vreemd om te zeggen. Het klonk als een zwak, nauwelijks hoorbaar geluid uit een onafzienbare verte, een diep, diep verleden, iets volkomen onwerkelijks. Toen zei iemand, misschien zonder enige bijbedoeling, maar misschien ook wél, daar ben ik nooit achter gekomen: ‘Met kerstmis branden er kaarsen en klinkt er klokgelui.’ Nu moet ik zeggen, dat die opmerking aan de meesten van ons voorbij ging, dat had immers nergens mee te maken, dat sprak over iets dat geheel buiten ons bestaan viel, maar dat de meest wonderlijkste en meest onverwachte gevolgen had. Toen het al laat in de avond was geworden, en iedereen daar zo’n beetje lag op de planken, met zijn eigen gedachten, of eigenlijk helemaal zonder gedachten, werd mijn vriend onrustig. Hij schoof naar zijn koffertje en haalde de kaars tevoorschijn. Ik kon het heel goed zien in het donker, die witte kaars. Hij eet hem op, dacht ik, als hij nu maar aan mij denkt. En ik loerde naar hem, door mijn oogharen. Hij legde de kaars op zijn brits en ik zag ‘m naar buiten verdwijnen, waar een vuurtje smeulde. Hij keerde terug met een brandende spaander. Als een spook dwaalde dat kleine vlammetje door de loods, tot het zijn plaats weer bereikte, vlak bij mij. Toen gebeurde het vreemde: hij nam die spaander, dat vuur en hij stak de kaars aan. De kaars stond op zijn brits en brandde. Ik weet niet hoe iedereen dat onmiddellijk ontdekte, maar het duurde niet lang of de ene schaduw na de andere schoof nabij, halfnaakte kerels, waarvan je de ribben kon tellen, met holle kaken en brandende honger-ogen. Zwijgend vormden die mannen een kring om de brandende kaars. Stuk voor stuk kwamen ze erbij, die mannen, ook de dominee en de pastoor. Je kon niet zien dat ze dominee of pastoor waren, zij waren ook een stuk uitgemergelde ribbenkast, maar we wisten het toevallig. De pastoor zei met een schorre stem: ‘Het is kerstmis. Het Licht schijnt in de duisternis.’ En toen zei de dominee: ‘en de duisternis heeft het niet overmocht.’ Het is, als ik mij niet vergis, een citaat uit het evangelie van Johannes. Je kunt het in de bijbel vinden, maar die nacht, om deze kaars, was het geen geschreven Woord van eeuwen geleden. Het was een levende werkelijkheid, een boodschap voor dit uur en voor ons, voor ieder van ons. Want het Licht scheen in de duisternis. En de duisternis overwon het niet. Dat kon je toen niet zo beredeneren: dat was wat wij voelden, zwijgend rond het Kerstlicht, die witte kaars, die witte vlam. 21 Daar was iets heel bijzonders mee. Die kaars was witter en slanker dan ik ooit later gezien heb, in de bewoonde wereld. En die vlam. Dat was een kaarsvlam die tot de hemel reikte, en in die vlam zagen wij Dingen, die niet van deze wereld zijn. Dat kan ik nooit navertellen Niemand van ons die nu nog leeft. Dat was een geheim. Een geheim tussen het kerstkind en ons. Want wij wisten toen zeker dat Het er was, dat Het er leefde tussen ons en voor ons. Wij zongen zwijgend, wij baden zonder woorden. Ook heb ik gehoord dat de klokken begonnen te luiden en dat een engelenkoor liederen aanhief. Ja, dat weet ik heel zeker en ik heb wel honderd getuigen, waarvan de meesten niet meer spreken kunnen, ze zijn niet meer hier. Maar daarom wéten ze het nog wel. Daarginds, diep in de moerassen en de rimboe, zongen ijle engelachtige stemmen kerstliederen voor ons, en galmde het brons van duizend klokken. Waar dat vandaan kwam, dat blijft een geheim. Die kaars brandde hoger en hoger, spitser en spitser, tot aan het uiterste nokje van die hoge donkere loods en daar doorheen, tot aan de sterren, en alles werd wit van licht. Zoveel licht heeft later nooit meer iemand gezien. En wij voelden ons vrij en opgeheven en kenden geen honger meer. Die kaars had niet mijn vriend gevoed, en mij, die kaars had nu ons allen gevoed en sterker gemaakt. Er kwam geen einde aan het licht. En toen iemand zacht zei: ‘volgend jaar kerstmis thuis,’ geloofden wij dat voor déze maal onvoorwaardelijk. Want het licht had het zelf geboodschapt, het stond in vurige letters in die kerstvlam geschreven; je kunt het van mij aannemen of niet, ik heb het zelf gezien. De hele nacht heeft de kaars gebrand. Er is geen kaars ter wereld die zo lang en zo hoog kan branden. Toen het ochtend werd waren er een paar, die zongen. Dat was in geen jaren gebeurd. Die kaars heeft vele van ons het leven gered, want toen wisten wij dat het nog de moeite waard was om verder te gaan, waarheen ook: dat er ergens aan het eind op ieder van ons een Thuis wachtte. En dat was ook zo. Sommigen zijn naar huis gegaan, voor het volgend jaar kerstmis. Zij staan weer in dit leven, nu in Nederland. Zij vinden de kaarsjes in onze kerstbomen maar klein, veel te klein. Ze hebben een groter licht gezien, het brandt nog altijd. De meeste anderen zijn ook thuisgekomen vóór het weer kerstmis was, ik heb hen zelf helpen neerleggen in de aarde achter ons kamp, een droog plekje tussen het moeras. Maar toen zij stierven waren hun ogen minder dof dan vroeger. Dat was het licht van die vreemde kaars. Het Licht, dat de duisternis niet had overmocht.
 
Willem Brandt – uit: De Tijdstroom, 1962

Agenda

Geen evenementen

Dagelijkse bijbeltekst

  • Maar laten wij, die toebehoren aan de dag, op onze hoede zijn, omgord met het harnas van geloof en liefde, en getooid met de helm van de hoop op redding. Want Gods bedoeling met ons is niet dat wij veroordeeld worden, maar dat wij gered worden door onze Heer Jezus Christus. -- 1 Tessalonicenzen 5:8-9